Foto: il falò nel giardino
Quando sono tornata dal lavoro, i campi erano popolati da mietitrebbiatrici, che sputavano grano nel rimorchio, paglia per terra e polvere nell’aria caldissima. I contadini si sbrigavano per fare la mietitura finché non pioveva. Anche la sera, quando ci eravamo radunati intorno al falò, continuavano a ronzare i motori.
Stavamo al buio, guardavamo le luci delle stelle e degli aerei che facevano l’andata e ritorno per portare in fretta gli ultimi vacanzieri della stagione là dove speravano di trovare un po’ di quiete. Restavamo un po’ in silenzio, a osservare le fiamme che mangiavano la legna. Il fanciullo ammirava ogni scintilla che si staccava dal fuoco per raggiungere il cielo stellato e non voleva andare a letto finché avrebbe visto svolazzare il pipistrello nostrano. Finalmente, ha dovuto arrendersi alla fatica, l’ho messo a letto e ho cantato una ninna nanna che spesso gli cantavo quando era bèbè.
Poi, con le figlie abbiamo parlato di tante cose, toccato ciò che a noi importa: felicità e tristezza, amicizia, amore, morte. Non era più successo da tanto tempo, forse perché essendo adolescenti, si sentono incerte, vogliono nascondersi dietro una facciata. Eppure ogni volta che rimaniamo fuori, intorno al falò, sotto le stelle e in mezzo alla natura, infocano gli animi, ci sentiamo più vicini, partecipanti dello stesso spazio.
Bij het kampvuur
Op de terugweg van het werk waren in de velden de maaidorsers druk doende, ze spuugden graan in de aanhangwagens, stro op de grond en stof in de zinderende lucht. De boeren haastten zich met oogsten zolang het niet regende. Ook ‘s avonds, toen wij rond het kampvuur zaten, bromden de motoren onverminderd voort.
We zaten in het donker, keken naar de lichtjes van de sterren en van de vliegtuigen die af en aan vlogen om snel de laatste vakantiegangers van het seizoen op een bestemming te brengen waar ze nog wat rust hoopten te vinden. We bleven een tijdje stil, keken naar de vlammen die gretig aan het hout likten. De kleine volgde vol bewondering elke genster die uit het vuur opsteeg naar de sterrenhemel en weigerde te gaan slapen voor hij onze vleermuis had zien fladderen. Uiteindelijk werd de vermoeidheid te groot en bracht ik hem naar bed. Ik zong nog een slaapliedje dat ik dikwijls had gezongen toen hij nog een baby was.
Daarna hebben we lang gepraat met de meisjes, over de dingen die ons bezighouden: geluk, verdriet, vriendschap, liefde, dood. Het was al lang geleden, misschien omdat ze zich als adolescent onzeker voelen, zichzelf niet bloot willen geven. Maar telkens wanneer we gezellig samen buiten zitten, bij de sterren, dicht bij de natuur, rond het vuur dat onze harten warmt, voelen wij ons nader bij elkaar, delen wij dezelfde ruimte.
Nessun commento:
Posta un commento